Naar de inhoud

Het veenweidelandschap: hoe De Ronde Venen is ontstaan

De regio · 6 min lezen

Wie door De Ronde Venen rijdt, ziet een landschap dat vanzelfsprekend lijkt. Weilanden met koeien, lange rechte sloten, dijkjes met boerderijen erop, plassen waar u zeilt en polders die zo laag liggen dat u vanaf de dijk naar beneden kijkt. Toch is bijna niets hiervan natuurlijk. Het is het resultaat van ongeveer duizend jaar werk: ontginnen, ontwateren, graven, droogmalen. In dit stuk leest u hoe dat landschap is ontstaan en waarom het er nu zo uitziet.

Een veenwildernis

Voordat er mensen woonden, was een groot deel van West-Nederland bedekt met veen. Veen ontstaat waar planten in een nat gebied afsterven zonder helemaal te vergaan. Laag na laag hoopt het plantenmateriaal zich op. Zo ontstonden uitgestrekte veenwildernissen, met hogere veenkussens en daartussen kleine stroompjes die het water afvoerden.

Op zo'n natte, zachte bodem kon niemand wonen of boeren. Dat veranderde met wat de Grote Ontginning wordt genoemd, tussen de tiende en de dertiende eeuw.

De ontginning

In de streek rond De Ronde Venen had de kerk van Utrecht hier een grote rol in. In 953 schonk keizer Otto I het gebied aan de bisschop van Utrecht. Later kwam het grootste deel in handen van het kapittel van Sint Jan in Utrecht, dat er belang bij had om het land snel te laten ontginnen. In Wilnis begon de ontginning in 1085 onder leiding van kanunniken van dat kapittel. Rond 1090 vestigden zich boeren op een dijk bij Mijdrecht. Bij Demmerik, vlak bij Vinkeveen, werd vanaf 1138 veen gewonnen. Ook verder weg ging het zo: rond Kamerik liet de bisschop van Utrecht al in de tiende eeuw het veen ontginnen.

De werkwijze was steeds ongeveer dezelfde. Vanaf een waterloop of dijk groeven de ontginners lange, parallelle sloten het veen in. Daardoor liep het water weg en droogde de grond op. Langs de basislijn bouwden ze hun boerderijen, en daarachter strekten de kavels zich in lange stroken uit. In Nieuwkoop zou de naam van het dorp zelfs aan dat systeem herinneren: elk uitgegeven stuk veen heette een cope.

Dat patroon ziet u nog altijd. Een lintdorp als Kamerik, met huizen langs de Kamerikse Wetering en de kavels erachter, is er een schoolvoorbeeld van.

Van akker naar weiland

Toen het veen pas was ontwaterd, werd er akkerbouw op gedaan. Maar ontwateren heeft een gevolg. Veen bestaat voor een groot deel uit water en plantenresten. Als het droog komt te staan, klinkt het in en komt het in contact met lucht, waardoor het langzaam verdwijnt. Dat heet oxidatie. Het land zakt daardoor steeds verder.

Na een paar eeuwen was de bodem weer zo nat dat akkerbouw niet meer ging. De boeren schakelden over op vee. Zo ontstond het veenweidelandschap: weilanden op veengrond, met melkvee. Om het land te beschermen tegen het water, kwamen er kades en later polders met bemaling.

Sloten in plaats van hekken

In het veenweidegebied ziet u weinig hekken of prikkeldraad. Dat is geen toeval. De sloten doen dat werk. Ze voeren het water af, houden het vee binnen en waren vroeger ook vaarwegen. Om hun werk te blijven doen, moeten ze regelmatig worden geschoond. Wie in de herfst door de polder rijdt, ziet soms de bagger op de kant liggen.

Het open land met de natte weilanden is ook een broedplaats voor weidevogels zoals de grutto en de kievit. In het voorjaar zijn ze in De Ronde Venen op veel plekken te zien en te horen.

Turf voor de stad

Het veen was niet alleen grond om op te boeren. Het was ook brandstof. Vanaf de veertiende eeuw werd op grote schaal veen afgegraven en tot turf gedroogd. Rond 1500 kwam de baggerbeugel in gebruik, een werktuig waarmee ook veen van onder de waterlijn kon worden gehaald. Daarmee nam de turfwinning een grote vlucht.

Het natte veen werd uit het water gebaggerd en te drogen gelegd op smalle stroken land, de legakkers. De gaten waaruit het kwam, groeiden door wind en golven steeds verder uit. Zo ontstonden plassen, soms zo groot als meren. De Haarlemmermeer is een bekend voorbeeld.

In De Ronde Venen ziet u het resultaat in de Vinkeveense Plassen, waar de legakkers nog als lange smalle eilandjes in het water liggen. Ook Botshol, tussen Abcoude en Waverveen, is een restant van turfwinning. Verder naar het zuidwesten zijn de Nieuwkoopse Plassen op dezelfde manier ontstaan. Rond Wilnis en Uithoorn lagen ook plassen, maar die zijn later weer drooggemaakt.

Droogmakerijen

Vanaf de vijftiende eeuw werden met windmolens veenplassen drooggemalen. Waar eerst veen had gelegen en daarna water, ontstond nu een nieuwe polder, vaak met klei als bodem. In de omgeving zijn nog oude poldermolens te vinden, zoals de Kortrijkse Molen bij Breukelen uit 1696 en de Oukoper Molen bij Nieuwersluis uit 1644.

In de negentiende eeuw kwamen er stoomgemalen bij, en daarmee konden ook grotere en diepere plassen worden drooggelegd. De Wilnisse plassen werden vanaf de negentiende eeuw drooggemaakt, en in 1925 was dat klaar. De Legmeerplassen bij Uithoorn werden aan het eind van de negentiende eeuw tot polder gemaakt.

De polder Groot-Mijdrecht

De bekendste droogmakerij in De Ronde Venen is de polder Groot-Mijdrecht. In 1870 kwam er een vergunning om de plassen hier droog te malen, en in 1880 was de polder droog. Het maaiveld ligt ruim zes meter onder de zeespiegel. Het verschil met de Vinkeveense Plassen ernaast is ruim vier meter.

Groot-Mijdrecht heeft een probleem dat veel andere polders minder hebben. Onder het veen ligt hier geen kleilaag. Daardoor kan grondwater makkelijk omhoog komen. Dat heet kwel. In Groot-Mijdrecht komt ongeveer vier keer zoveel water binnen als in polders met een kleilaag, en het kwelwater is ook nog zout.

Al dat water moet worden weggepompt. Dat doet gemaal Winkel, gebouwd in 1960 ter vervanging van stoomgemaal De Voogd. Het gemaal heeft twee pompen met samen een capaciteit van 300 kubieke meter per minuut en brengt het water ongeveer vijfenhalve meter omhoog naar de Waver.

Het oostelijke deel van de polder, met onder meer de Waverhoek, is de laatste jaren ingericht als natuurgebied. Daar wordt het land weer natter gemaakt, zodat er moeras ontstaat.

Een landschap dat blijft veranderen

Het veenweidelandschap is nooit af. Zolang er veen is dat droog staat, blijft het langzaam zakken. In de twintigste eeuw is het gebied in Holland en Utrecht bovendien kleiner geworden doordat steden uitbreidden. In het Groene Hart wordt geprobeerd het overgebleven veenweidegebied te beschermen.

Wie hier woont, merkt dat soms in het dagelijks leven: in waterpeilen, in werk aan dijken, in discussies over hoe de polder er in de toekomst uit moet zien.

Het landschap lezen

Met deze kennis kijkt u anders naar een rit of fietstocht door De Ronde Venen. Een paar dingen om op te letten:

  • Lange, rechte sloten met smalle kavels erachter wijzen op een middeleeuwse ontginning.
  • Lange smalle eilandjes in een plas zijn oude legakkers uit de tijd van de turfwinning.
  • Een polder die duidelijk lager ligt dan het water ernaast, is een droogmakerij.

Meer over de plassen leest u in Een dag aan de Vinkeveense Plassen, en wie wil weten hoe de streek later ook militair werd ingericht, leest verder in Forten van de Stelling van Amsterdam.

Zelf gaan kijken

Het mooiste is het landschap zelf te zien, op de fiets of te voet. Wie verder wil dan de fiets reikt, of na een tocht niet meer terug wil trappen, kan een taxi bellen. Taxi de Gouden Venen rijdt in heel De Ronde Venen, dag en nacht, en is bereikbaar via de website, WhatsApp of op +31 6 17 10 10 36.